| Boerenstadswens pakt stadslandbouw op |
| maandag 16 augustus 2010 11:51 |
|
Boerenstadswens – de Amsterdamse vereniging verbindt in haar naam twee domeinen, die de laatste vijftig jaar steeds verder uit elkaar zijn komen te liggen. Daarmee mat zij zich in 2006 ook meteen haar bestaansrecht aan: het onderzoeken en bevorderen van relaties tussen de stad en het agrarische platteland. De impuls daartoe kwam vanuit de wens die leefde bij bewoners van de hoofdstad, om hun kinderen iets mee te geven over de plek waar hun voedsel vandaan komt – de boerderij. Een paar generaties terug groeiden veel kinderen zelf op het platteland op, op de boerderij van hun ouders, of anders wel vlak in de buurt. Zo kregen zij de indrukken van de herkomst van hun voedsel letterlijk met de paplepel mee. Koeien in de wei, melkbussen langs de weg, de lange drukke zomers en volle wagens, het hooien, wieden, en oogsten in akkers en boomgaarden. Maar dat was echt een ander tijdperk. Voor verreweg de meeste mensen – in de stad èn op het platteland - is voedsel inmiddels wat er per strekkende meter in de supermarkt ligt, ingenieus verpakt, herkenbaar aan merken die regelmatig langszappen op televisie, en niet zelden ook speciaal gemaakt voor consumptie bij diezelfde televisie. Voedsel als een verzameling artikelen, waarvan je sommige dingen wel, en andere niet blieft. Maar het is niet alleen de jongste generatie stadsbewoners die voedsel vooral in die vorm kent en herkent; als symbool van een veel grotere, westerse culturele werkelijkheid ligt het vraagstuk van de herkomst van ons voedsel inmiddels op ieders bord. Deze werkelijkheid heeft de vereniging Boerenstadswens, ontstaan vanuit ‘mondig’ burgerinitiatief, aangegrepen om in en om Amsterdam te zoeken naar nieuwe antwoorden. De activiteiten die de vereniging in eerste instantie is gaan ontplooien, lagen op het terrein van de lokale boerderij-educatie: het bieden van directe ervaringen op agrarische bedrijven in de ommelanden aan groepen en klassen kinderen uit de stad. Daarbij was haar eerste insteek er dus één van beleving en betekenis. Nu is betekenis altijd een kwestie van context, van verbinding, en niet iets dat uit de lucht komt vallen; hier verwijst betekenis dan ook al gauw naar het hele voedselvraagstuk, waarin veel meer aspecten een rol spelen. Zodoende is Boerenstadswens haar horizon gaandeweg aan het verbreden, en initieert zij inmiddels niet alleen verschillende activiteiten, maar zet zij ook stappen om de verbindende rol die zij als platform op bescheiden schaal al wel speelt, verder in te vullen. Een belangrijke functie die Boerenstadswens, als lokale voortrekker op het terrein van voedsel en stad-landverbindingen, daarbij voor zichzelf ziet weggelegd, is het samenbrengen van allerlei Amsterdamse burgerinitiatieven die tot nu toe hun dingen grotendeels afzonderlijk, en soms in isolatie doen. Actieve leden van de vereniging zien dat er op die manier kansen blijven liggen, die vanuit een gezamenlijke basis wel aan te grijpen zijn. Een voorbeeld daarvan zou de collectieve inkoop kunnen zijn van voedingsmiddelen uit de regio, om te gebruiken in de smaaklessen die door verschillende groepen op scholen worden verzorgd. Het aspect van beleving zou dan heel direct de opstap vormen voor het in de praktijk opbouwen van kleinschalige voedselketens. Als platform denkt de vereniging sowieso meer aandacht, en op enige termijn, ook middelen te kunnen vinden voor bredere vernieuwing op het gebied van voedsel in en om de stad. Daarvoor zijn ook duurzaamheid, kwaliteit, gezondheid, en regionale productie allemaal relevante invalshoeken. Door de krachten te bundelen zijn bovendien op verschillende terreinen winsten te boeken, waar we als samenleving inmiddels behoorlijk om zitten te springen. En volgens Boerenstadswens is stadslandbouw daarvoor een belangrijke noemer. Stadslandbouw? Kun je dat eten? Daar moet de bril waarmee we het Nederlandse agro-succes en de televisiemaaltijd bekijken maar even voor af. Stadslandbouw, een verzamelbegrip voor allerhande vormen van voedselproductie in de stedelijke omgeving. Een nog grotendeels onontgonnen terrein ook, waar in deze fase nog allerlei individuele en lokale initiatieven herkenbaar zijn, en standaards en modellen zich nog moeten uitkristalliseren - in Amsterdam, in Nederland en daarbuiten. Als begrip vertegenwoordigt het een enorm breed spectrum aan vormen en schaalniveaus. Dat begint bij vensterbanken, balkons, dak- en geveltuinen, waar mensen wat eigen kiemen, kruiden, groenten en fruit telen in potjes, bakken, kuipen en bedden. Elementen van veeteelt zijn er ook te vinden: zo wordt in Amerikaanse steden het houden van een paar kippen in de achtertuin populair. En er komt nog heel wat vernuft bij kijken. Zo vormt de permacultuur een mondiale beweging waarin mensen hun traditionele gazonnetjes graag transformeren in een kleinschalig, hoogintensief ecosysteem, waarin zij al hun keukenafval composteren, hun verhoogde groentebedden dicht beplanten, en de muren gebruiken voor leifruit. Daarbij schakelen zij technieken in die zich voor dit schaalniveau uitstekend blijken te lenen: compostering met behulp van wormen, toepassing van mengsels micro-organismen, intensieve mengteelt ter voorkoming van ziekten en plagen, het gebruik van meerdere vertikale lagen, het enten van verschillende fruitsoorten op dezelfde onderstam, teelt van paddestoelen op donkere plekken, maximaal uitbaten van microklimaatjes, enzovoort. Wie weet kan de thuisteelt van insecten er straks ook een plek in krijgen? In elk geval bestaan er in binnen- en buitenland fraaie, soms zelfs verbijsterende voorbeelden van voedselproductie op de vierkante meter. Op privé-terrein is het niveau van controle een kwestie van keuze en kunde, en dat heeft uiteraard voor- en nadelen. Wie in plantenbakken en verhoogde bedden teelt, kan gemakkelijk met schone aarde beginnen, en hoeft zich vermoedelijk niet al te druk te maken over menselijke indringers. Maar met zomervakantie zal de microboer toch niet zomaar kunnen, tenzij een ander met groen in de vingers de boel zolang kan overnemen. Cijfers over deze vorm en schaal van productie zijn er eigenlijk nauwelijks, en extrapoleren van de gangbare gegevens over voedselteelt heeft hier simpelweg geen betekenis. Toch is uit schattingen wel bekend dat dit soort praktijken in steden in ontwikkelingslanden welig tieren, en voor veel mensen betekenen dat zij regelmatig verse groente en kruiden eten, waar die anders niet verkrijgbaar, of voor hen onbetaalbaar zijn. Voorbij het privé-terrein ligt dan de stedelijke ruimte, die formeel openbaar is, of anders een informeel, semi-openbaar schemergebied vormt. In elk geval gaat het daarbij om plekken die door meerdere buurbewoners worden beheerd. Dit segment van de stadslandbouw laat een enorme diversiteit aan beheersvormen zien, met variabelen als schaal, intensiviteit, gebruikte technologie, rechtsvorm, voorwaarden voor deelname, toezicht, werkverdeling, en ‘couleur locale’. In deze collectieve verschijningsvormen liggen lastige uitdagingen, met name omdat het beheer een kwestie is van sociale structuren. Om die in te richten waar zij nog niet bestaan, en te laten functioneren op een manier die ecologisch, economisch, en sociaal gesproken vruchtbaar is – en dat zowel voor individuele deelnemers als voor de collectiviteit – is allerminst een sinecure. Toch zijn er ook hiervan boeiende, aanstekelijke voorbeelden, die zonder meer navolging verdienen. En daarbij is er één potentiële spinoff, die in landbouwproductiecijfers al helemaal niet uit te drukken is: sociale cohesie. Het blijkt dat het samen gebruiken en beheren van buitenruimte in de woonomgeving een krachtig verbindend element is, vooral als het daarbij gaat om eetbaar groen. En daar is in hedendaagse steden natuurlijk nog heel veel te winnen. Samen zaaien, stekken, schoffelen, snoeien – en natuurlijk samen oogsten, koken en smullen – het lijken de bouwstenen van sociale gemeenschapsvorming tussen stedelingen die bovenop elkaar wonen, maar verder soms weinig met elkaar te schaften hebben. Al met al dus een terrein dat in Nederland vaak nog maar al te letterlijk braak ligt, en waar vereniging Boerenstadswens maar al te graag wat kennis en kunde in uitzaait. Als derde categorie in de stadslandbouw moet ook het bedrijfsmatige antwoord zich nog verder ontwikkelen. Daarin vallen initiatieven met één of meerdere centrale telers, die als eigenaar of huurder van een locatie de productie verzorgen, en daarmee hun klanten bedienen. Dat kan op strikt commerciële basis zijn, voor uiteenlopende soorten producten, van breed tot specialistisch, maar biedt ook ruimte voor deelname van actieve aandeelhouders, die bijvoorbeeld een deel van de financiële risico’s afdekken en daarmee hun eigen voedselvoorziening veilig helpen stellen. Boeiende voorbeelden van eigentijdse stadsboeren zijn in Nederlands vooralsnog schaars, maar internationaal is dit terrein duidelijk in beweging. De bedrijfsmatige aanpak maakt het mogelijk om te investeren in technologie die voor een thuisteler niet haalbaar is, en zodoende zijn er in deze categorie ook werkelijk innovatieve toepassingen te vinden. Combinaties van kasteelt met hydroculturen, nieuwe teelten zoals van algen, kringlopen met planten en kweekvis, productie van bijzondere, hoogwaardige gewassen – de doorgaans beperkte ruimte in de stad vraagt om vernuftige oplossingen, die lokaal van grote betekenis kunnen zijn. Ook voor deze ontwikkelingen wil Boerenstadswens een rol als partner en platform kunnen spelen. Over de hele linie is de stadslandbouw ook een kunst om te spelen met de specifieke omstandigheden van het stedelijk gebied. Zo is de temperatuur in de stad een graad of drie hoger dan daarbuiten, en dat betekent dat je als tuinder toch mooi als eerste aardbeien moet kunnen plukken. Op lokaal niveau betekent een goed draaiend systeem voor compostering van groenafval een collectieve kostenpost minder. En verder hoef je nooit ver naar eters of klanten te zoeken – wie eet uit de stad, vreet geen kilometers. Daar tegenover staat dat de bodem in de stad in elk geval goed onderzocht moet worden; brandschoon is die helemaal nergens, en soms verre van dat. En dan is er de stedelijke anonimiteit waarin medeburgers zich kunnen verschuilen, als zij eens andermans pruimen zien hangen, als eieren zo groot. Al met vormt de stadslandbouw dus een meervoudige uitdaging, die momenteel overal begint rond te zingen. Als nieuwe sector en cultuur sluit deze aan bij actuele bedreigingen als piekolie en klimaatverandering, sociale en economische crises, en biedt zij perspectieven voor de productie van vers en gezond voedsel, sociale samenhang en werkgelegenheid – zelfs in de huidige context van bezuinigingen. Daarom heeft de Amsterdamse vereniging Boerenstadswens zich vol overtuiging uitgesproken voor een koers die voorbij stadse fratsen voert, en heuse stadse vruchten draagt. Fransje de Waard juni 2010 |
| Laatst aangepast op maandag 16 augustus 2010 17:24 |

